Geus

aarnout001_a

Aarnout de Bruijne
oud-conrector Scheldemond College
Hoofdredacteur Slibreeks
Terneuzen, 25 juli 1942-Middelburg, 4 december 2009
*

Maar de taaie oude veerman hield altijd
nog het groene rietje tussen zijn tanden
-Emile Verhaeren
 
 

 

De Veerman

De veerman, met de riemen in zijn handen
Geklemd, worstelt al lange tijd
Tegen de stroom op, een riet tussen
De tanden.

Maar zij, helaas, die hem van de over-oever riep
Over de golven, aan de voet der dijken –
Zag hij steeds verder, vager in de mist
Geworden, langzaam, langzaam van hem
Wijken.

 De vensters van de huizen der rivier en
De wijzerplaat des torens in het dorp
Zien hem hardnekkig vechten met zijn vlak
Gebogen lichaam en zijn wilde spieren,
Als koorden strak.

 Dan, plotseling breekt een riem in twee;
De stroom grijpt hem en sleurt hem mee

Tartend naar zee.

 En zij, daarginds, die in de mist helaas
En in de wind vergeefs hem aanriep, schijnt

Een handenwringende, nu door het waas
Der scheemring hij, steeds minderend verdwijnt.

De veerman, met zijn ene riem nog over,
Buigt zich nog feller in ’t gevecht voorover,
Totdat zijn lichaam, dat de stroming tart
Kraakt… en de koorts jaagt in zijn hart.

 Dan, met één slag, breekt hem het roer kapot,
De stroom, die grijnst, versleept het als een vod.

 De vensters van de huizen aan de kant
Staren met de ogen, van ontzetting groot,
En rood en koortsig van de zonnebrand
Over het water… en de wijzerplaat
Des torens, die een oude vrouw gelijkt
Gehurkt aan de oever, lijkt verbleekt en kijkt
Neer op die gek, die onverveerd
De storm, de tegenstand en ’t lot
Trotseert.

 Maar zij, daarginds, die door de neevlen riep,
Schreeuwt naar hem, schreeuwt, het hoofd gerekt
En heel haar wezen naar ’t onbekende
Smekende uitgestrekt.

De veerman, als van staal, geplant
Recht in zijn boot en de doodsbleke wind –
Met slechts één riem in zijn wanhoop’ge hand –
Kastijdt de golven, bijt de stroom, verslindt,

Vreet zich in ’t water vast, zijn blikken hard
Over de vlakten zendend, waar die stem
Kreet jamm’rend in het koud heelal naar hem.

 De laatste riem… de laatste hulp… breekt af
De stroom verliest hem als een nutloos kaf
Naar zee.

 De veerman – en zijn armen vallen neer –
Knakt machtloos samen op de ruige bank;
Zijn lenden zijn als brekend, lijk een veer
Die sprong – totdat de boot plots schokt
aan de oever, waar, in ’t riet… het water klokt.
De veerman, omziend, wat zijn strijd mocht baten,
merkt dat de boot de wal niet heeft verlaten.

De vensters van de huizen aan de oever
Zien spottend neer. De toren heft zich stroever
En merkt de onmacht van zijn handen –
Maar hij, de veerman, starend stil en stom
Houdt koppig nog – en God weet slechts waarom
en tot welk doel –
het riet tussen zijn tanden…

 Emile Verhaeren, Les Villages Illusoires, 1895.
Vertaald door Martien Beversluis.