Lachsalvo’s

In Vlissingse Slijk- en Breewaterstraat was afgelopen weken luid gelach te beluisteren. Niet onophoudelijk, maar salvogewijs. Op de kavels waar naoorlogse flats zijn afgebroken om plaats te krijgen voor nieuwe huizen waren oudheidkundigen uit de Randstad neergestreken om archeologisch onderzoek te doen. Met oude kaarten hadden ze zich zorgvuldig voorbereid en het leek erop, dat zaken van waarde zouden worden gevonden. De geschiedenis van stad is rijk, maar veel documentatie is verloren gegaan toen de Engelsen de stad 200 jaar geleden (nog maar) bombardeerden. Het stadhuis aan de Grote Markt ging daarbij in vlammen op en sindsdien vertoont het gemeentelijk archief lacunes.

Een graafmachinist haalde met de precisie van de horlogemaker aarde weg en daar kwam de historie al tevoorschijn: contouren van muren en muurtjes, vloeren en vloertjes, straten en steegjes. De aandacht van de doctorandussen en hun helpers richtte zich op getuigen van de 16de en 17de-eeuwse bewoning. Veel informatie is te halen uit beertonnen en waterputten en daarvan zijn er tientallen aangetroffen. Een enkele keer viel de opbrengst tegen, maar vaak bleken er maar liefst vier boven elkaar te zitten. Herhaaldelijk hoorde ik de noeste werkers vrolijk lachen als een onbeschadigd aarden napje of een complete vaas naar boven werd gebracht. Archeoloog Jeroen kwam naar het hek met handje droog donker spul. “Kijk, sprak hij, dit is beer. Het geurt nog. En kijk, dit zijn kersen- en druivenpitten. En hier zie je een stukje graat van een zeventiende eeuwse haring. Je denkt gauw: het is troep, maar we treffen er allerlei stille getuigen in aan”. Duigen van houten tonnen werden meteen met grondwater afgeborsteld en luchtdicht verpakt. Jeroen toonde zich verrukt over de relatief voortreffelijke kwaliteit van de kuipen.  Op de resultaten van het maandenlange laboratoriumonderzoek, dat buiten de provincie  is begonnen, kan ik niet wachten.