G.A. de Kok, hoofdredacteur

dekok001_

(1924-1985)

Dit weekeinde verschijnt een boek over G.A. de Kok, in leven hoofdredacteur van de PZC. Hij was een gezette man in grijs pak en met een donkere bril, die zich waar mogelijk bediende van archaïsche woorden, waarin opgenomen de Tale Kanaäns. De Kok was een wandelend verhalenkanon, die menige bijeenkomst domineerde met anekdotes en citaten waar zijn gehoor niet aan kon tippen. Die gingen over een bezoek aan een boekhandel in Philadelphia (VS), een ongeweten feit over het proces tegen Sacco en Vanzetti of een duistere biografie over de admiraal Nelson. Een ander maakte ook weleens wat mee, maar dat omzetten in een sappig verhaal voor aan de eettafel was toch vers twee.

Dat De Kok zo prachtig en gedetailleerd kon vertellen kwam ik pas goed aan de weet toen ik als betrekkelijk aankomend journalist mocht aanschuiven bij de royaal besprenkelde maaltijden in Roosendaal, tijdens welke de journalistieke leiding van PZC en Brabants Nieuwsblad (BN) periodiek de horloges gelijk zette. Ik was als gemeenschappelijk eigendom van deze kranten (ca 1976) begonnen als Haags redacteur om de Zeeuwse en West-Brabantse nieuwtjes op te vissen uit de vijvers rondom de Hoge Colleges van Staat. Ik opereerde met het kantoor van de Gemeenschappelijke Persdienst (GPD), aan de fraaie Lange Voorhout als uitvalsbasis. In die GPD werkten zowat alle grote regionale dagbladen samen, alle hadden ze een vooruitgeschoven spion met zicht op de Hofvijver.

De Kok had mij in 1971 ook aangenomen bij de PZC. Van jongs af noteerde ik graag wat ik meemaakte of fantaseerde en niets leek mij leuker dan een loopbaan bij een actualiteitenrubriek van een landelijke omroep, ooit. Opleidingen daarvoor waren in Zeeland niet voorhanden en een school buiten de provinciegrens lag ver buiten het huishoudbudget van mijn ouders. Zo kwam ik gedurende mijn mulo-jaren in Vlissingen terecht op redacties van gestencilde schoolkranten en cluborganen. Mijn Souburgse buurman, de journalist Paulus Maartense, bij wie ik weleens zo’n blaadje in de brievenbus stopte, bracht mij enkele jaren daarna in contact met Rinus Dieleman, chef Zeeuwse redactie van de PZC, die mij aanstelde als avondcorrespondent. Stukjes schrijven voor de krant over gebeurtenissen en bijeenkomsten waar je volwaardige scribenten niet over aan hun hoofd moest zeuren. Dat werk ging mij vlot af en steeds vaker kwam het voor, dat ik uit een schijnbaar onbetekenende gebeurtenis interessant nieuws haalde, waar eindredacteur Andreas Oosthoek (toen nog: André) ’s avonds een dikke kop boven zette. ’ s Anderendaags, tijdens het “ochtendgebed” met de veelal per taxi vanuit Middelburg ingevlogen hoofdredacteur in het Vlissingse kantoor aan de Walstraat moet Dieleman weleens gepocht hebben over de kwaliteiten van zijn aanwinst. Ik kreeg tenminste snel het aanbod in vaste dienst te komen, hetgeen ik uitstelde tot na mijn middelbare schoolexamen.

Op zekere dag (1971) moest ik toch aan De Kok worden voorgesteld, wilde ik in vaste dienst kunnen komen. Samen met Dieleman trad ik het hoofdredactionele vertrek binnen, dat zich een verdieping lager dan de redactie Zeeuws bevond in een mij onbekende uithoek van het pand aan de Walstraat. Behalve De Kok viel een sterk vergrote regel uit de Grondwet (iets met drukpers *) aan de muur op. Meteen was duidelijk, dat hier geen flauwekul werd bedreven.
“Zo Feij, ik heb al veel over je gehoord. Die andere Feijs in de muziek, is dat allemaal familie van je?”
Ik kon dat niet ontkennen.
Meteen daarop een nieuwe vraag: “Hou je van letteren of van sport?”
Ik verloochende het laatste. Dat beviel hem.
En dan tot slot: “Weet je het verschil tussen gereformeerd vrijgemaakt en synodaal?”
Ik jokte dat me dat geen moeite kostte.

De Kok maakte een eind aan het treffen door Dieleman op te dragen de papieren in orde te maken. Ik was leerling-journalist bij de PZC en ik kon mij vervoegen op de redactie Zeeuws in de ploeg van André Oosthoek, waarin verder nog Frans Doeleman en Paul de Jonge. Ik geloof dat De Jonge daarna overstapte naar de alternerende ploeg van Adrie Schreurs en dat Cees van der Malen uit Middelburg overkwam. Maar precies herinner ik me dat niet.

Sollicitatieprocedures hebben sindsdien een enorme ontwikkeling doorgemaakt.

(Foto: Boekhandel ‘t Spui, Vlissingen)

*) “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” 

5 Reacties

  1. wjvandam

    AJ Snel de bescheidenheid zelve? Ik moet toch nog eens wat dieper in mijn geheugen graven.

  2. wim hofman

    De Kok heb ik wel ontmoet bij de commissie van de Zeeuwse Culturele Raad die een regionale omroep wilde of de mogelijkheden begtudeerde. De Kok zat dikwijls met zijn rug naar de vergadertafel, de armen over elkaar. Af en toe keek hij om en plaatste een opmerking. Misschien zag hij zo’n omroep niet zo zitten. De Zeeuwse Culturele Raad noemde hij een glazen huis: de raad werkte openbaar en de krant kreeg alle vergaderstukken en werd voor elke vergadering uitgenodigd.

  3. Gosse

    Ha Flip,

    Deze zin verdient toch enige verbetering:
    Samen met Dieleman trad ik het hoofdredactionele vertrek binnen, die zich een verdieping lager dan de redactie Zeeuws bevond
    en wel op de volgende manier:
    Samen met Dieleman trad ik het hoofdredactionele vertrek binnen, dat zich een verdieping lager dan de redactie Zeeuws bevond

    1. Flip Feij (Auteur bericht)

      Dank voor de verbetering. Groet, Flip-

  4. A J Snel

    Het mooie van de toekomst is dat het verleden steeds meer glans en glorie krijgt. Dat is de gave van het vergeten. Ikzelf stond bekend als de bescheidenheid zelve. Meer nog dan algemeen hoofdredacteur Puntmuts, een zieltje zonder zorg, die altijd maar doende was zijn redactie bijna-dood-ervaringen te bereiden.

Geen reacties toegestaan.