Ansichtkaart uit Breda van mijn vader

Mijn vader en moeder zaten hun hele huwelijk dik in de kinders en ik kan me niet heugen dat ze ooit samen op pad zijn geweest onder achterlating van hun kroost. Toch moet het een keer gebeurd zijn, in 1957, er bestonden overigens nog maar drie van de zes te werpen kinderen. Ik was (als oudste) 6 of 7 jaar oud tijdens hun afwezigheid blijkbaar ondergebracht bij opa en opoe Feij, de ouders van mijn vader. Die woonden in de Callenfelsstraat, zo’n straat tussen de Kasteelstraat en de Verkuijl Quakkelaarstraat in een huis waar ik nog steeds weleens langsfiets. Het waren hardhorende mensen, altijd van boven de 90. Opoe zat in de voorkamer zonder gebit door de vitrage naar de sporadische voorbijganger te loeren en leefde op bij de nadering van bakker, petroleum-, schillen- of melkboer. Opa zat in de achterkamer op de volgende maaltijd te wachten, hij was net terug van een ommetje door de stad en had verf gekocht voor zijn schilderhobby. Ik vermoed dat ik me dagenlang aan tafel zat te vermaken met een doos kleurpotloden: “Maak maar eens een mooie tekening, jongen!”
Tijdens de logeerpartij klepperde op zekere dag de ebonieten brievenbus en jawel, een ansichtkaart! Geen afzender vermeld, maar onmiskenbaar het handschrift van mijn vader:
“Beste Flip,
We vertellen je nog even dat we Vrijdag naar huis komen, houd je die tijd nog even heel braaf, dan komt ook dat weer voor elkaar. Zul je niet je goede humeur verliezen Flip, doe de groeten aan allemaal. ‘t Is hier erg mooi, je hoeft helemaal niet verder te reizen om wat moois te zien. Nou tot ziens hoor en tot Vrijdag. Tot kijk!”
Over zo’n eenvoudige kaart – onlangs hervonden – kan ik 60 jaar na dato nog gerust een paar dagen nadenken. Zul je niet je goede humeur verliezen! Dát kwam natuurlijk voor elkaar!