Met Paul Arnoldussen in Oostende

(Oorspronkelijk op Facebook gepubliceerd)

OOSTENDE – Toen wij zaterdagmiddag bij de hotelreceptie arriveerden handelde hij een kwestie af met de baliemedewerkster. Zijn initiële serviceverzoek hadden wij gemist, maar het leek erop dat dit had geluid: “Wilt u meneer Jansen even bellen en hem vertellen dat ik hier beneden al op hem sta te wachten?”.
Op het moment van onze binnenkomst leek de verbinding met meneer Jansen niet tot stand te kunnen komen en de baliedame leek te vermoeden, dat zulks te maken zou kunnen hebben met het feit dat zij – meneer Jansen eenmaal aan de telefoon – niet zou kunnen vertellen wíe dan wel beneden op hem stond te wachten. “Hoe is uw naam, wie kan ik zeggen dat op meneer Jansen staat te wachten?” Hij probeerde ons in te schatten en antwoordde lichtelijk geïrriteerd, maar sonoor: “Ja, Arnoldussen!”.
Hij leek niet blij te zijn dat hij zijn naam moest prijsgeven in een ruimte waar het nog alle kanten op kon gaan. Ik meende althans dat gevoel in een split second te herkennen, want ik vind het zelf ook onprettig als in een dokterswachtkamer mijn naam klinkt en ik het aha-erlebnis meen te signaleren bij het vrouwtje tegenover, dat al een kwartier had zitten kijken en denken: “Wie is die vent nou toch ook alweer?”
Intussen wisten wij, dat de welluidendheid toebehoorde aan Paul Arnoldussen, sierjournalist uit Amsterdam en een van de initiatiefnemers van de ouwe lullenkrant “Argus”, waarbij ook een paar van onze bekenden betrokken zijn en waarop wij in Vlissingen zonder nadenken een abonnement hebben genomen. We besloten ons niet bekend te maken, maar veronderstelden, dat Paul (met meneer Jansen) de feestelijke vergadering van het Joseph Roth Genootschap ging bezoeken op de Zeedijk. In genoemd genootschap zitten weer enkele andere vrienden die ons graag vertellen hoe ze hun weekeinden doorbrengen. Zelf hebben we een lidmaatschapsaanbod voor het Joseph Roth Genootschap in beraad genomen totdat wij in beeld hebben wat wij nou eigenlijk zelf aanwillen met de literatuur in de wereld. Wij bezitten meer boeken dan wij in ons leven kunnen lezen en de jaarvergaderingen en benefietdiners van de genootschappen waarbij we al wél aangesloten zijn slokken veel van onze tijd op.
Bij wijze van continu veldonderzoek meldden we ons nochtans zondagochtend bij Cultuurcentrum De Grote Post, waar voorzitter Els Snick van het Joseph Roth Genootschap en Ilse Josepha Lazaroms voorlazen uit nog niet in het Nederlands verschenen fragmenten van de reizende Roth, die in mei op de markt komen. Nieuwsgierig blijven we sowieso.
Het toegestroomde publiek was informeel gedrapeerd over een houten trapmeubel in het voormalig postkantoor waar het van de culturele evenementen zindert. En o verrassing, niet meer dan meter voor ons vlijde de Amsterdamse journalist uit de hotellobby neer, zodat we hem goed konden fotograferen. Opnieuw besloten we geen gesprek aan te knopen, hoewel dat gemakkelijk had gekund. We verkozen de vaak onderschatte nul-optie en dachten al aan dit stukje op Facebook.

Waarop de heer Arnoldussen in eerste instantie als volgt reageerde:

Wat een prettig stukje meneer Feij.
Het viel wel mee met die irritatie aan de balie dacht ik. Ach, een mens weet niet altijd welke indruk hij maakt. Punt was nu: ik had Govert Janssen vijf minuten voordien nog aan de lijn. En een ding stond wel vast: dat hij niet aan de baliemedewerkster zou vragen wie daar nou warempel op hem stond te wachten. Dus waarom zou zij dat dan moeten weten? Maar toegegeven, redelijk was dat misschien niet…
U was niet op dat Roth-etentje gisteravond begrijp ik. U heeft veel gemist. Bijeenkomsten van het Roth-genootschap zijn zeldzaam zachtaardig, speels, spits en warm. En dat vooral allemaal denk ik door die inspirerende, spontane voorzitter Els Snick, een bindend type. Welkom als lid zou ik willen zeggen, wacht niet tot u het wereldraadsel rond de literatuur heeft opgelost.
Dank voor uw foto. Dat ik het ben zie ik aan het jasje. Nog nooit is mijn achterhoofd zo goed in beeld gebracht. Of ik daar blij mee ben is iets anders.
Dat geldt ook enigszins voor uw kwalificatie ‘sier-journalist.’ Ik weet eigenlijk niet wat dat is, helemaal veilig erbij voel ik me niet.

Het vervolg is op Facebook te vinden. Of niet meer.