Witheet nadert de ijsberg

In de najaarscatalogus 2017 van de Amsterdamse uitgeverij Cossee wordt de aankondiging gedaan van een nieuwe dichtbundel van Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942). Er moet worden gerekend op 300 pagina’s en het najaar 2017 mag ruim worden gezien: het boek verschijnt in de Week van de Poëzie 2018, de laatste week van januari.

Een interview:

FF: Wie jou heeft gevolgd, heeft jou leren kennen als journalist en beoogd biograaf van de dichter Martinus Nijhoff. Ook verschenen mondjesmaat gedichten in tijdschriften en een paar dunne bundels. Uitgangspunt leek te zijn: “Niets te zeer”, hetgeen nu lijkt te worden verlaten. Door wat ben je op andere gedachten gebracht en hoe ging dat?
AO: Een journalist heeft – nomen est omen – een alledaagse taak. In de mij toegestane tijd is daarin – niet tot mijn ongenoegen – zowel verbijzondering als verbreding opgetreden, met steeds een accent op Kunst & Letteren, wisselend op de voor- en achtergrond. Het project-Martinus Nijhoff is in de loop van jaren uitgegroeid tot een meer omvattend project-Nijhoff, dat bij afronding wellicht een meer journalistiek dan louter biografisch aanzien zal hebben. Wat de gedichten betreft: 1959 is het punt van uitgang, juni 2017 de nog rekkelijke einddatum. Het adagium Niets te zeer is niet verlaten. Als de bundel Witheet nadert de ijsberg in januari 2018 zo’n kleine tweehonderd gedichten blijkt te bevatten, dan liggen er nog altijd een paar duizend bladen te wachten. Gijpend en wel.

Ik ben niet op andere gedachten gebracht. Van tijd tot tijd kwam iemand op mijn pad, die meende dat de feuilles volantes – zoals de lieve vogeltjes – eens moesten landen. Dan volgde – soms – een publicatie. De regelgevers, zo noem ik de mensen van het ernstig vermaan en de aanmoediging. Vanaf mijn jeugd: Chris van Schagen, Hans Warren, Bert Bakker, Josepha Mendels, Rudy Kousbroek, Hans Verhagen, Netty Nijhoff, Laurens van Krevelen, Martin Ros, Lou Vleugelhof, collega-journalisten en – nu – Christoph Buchwald.

Getallen en het Overzicht. Tweehonderd gepubliceerde en/of nog te publiceren items in achtenvijftig jaren, dat is – getalsmatig – toch niet al te zeer?

FF: De nieuwe bundel zal verraden, dat je niet pas na je pensionering met je gedichten bent begonnen, wil je uiteenzetten op welke manier het schrijven ervan door de jaren heen deel uitmaakt van je dagorde?
AO:  Ik leef al decennia in een werveling van papiertjes. Altijd een potloodje op zak. Op mijn elfde ging ik naar het internaat. Daar is het begonnen: de memo-blaadjes. Een woord, een tekeningetje. Dozen vol papiertjes. En koffertjes. En plastic zakken. Er zijn veel mensen die een journaal bijhouden. Zoiets.

FF: Wat is de essentie van een gedicht?
AO: De lading van een woord, een samenstel van woorden, een punt, een komma, mooie streepjes, de gedachte, de vreugde van het formuleren, de constructie, de vormgeving, de relatie van het teken met het papier, weten wat een Letter is.

FF: Journalisten staan bekend als eigenwijs, jij bent ook langdurig eindredacteur geweest en hebt in die hoedanigheid de krantenlezer voor nepnieuws en overdaad behoed. Hoe heb je het ervaren, dat zijdens uitgeverij Cossee redacteur Christoph Buchwald, in Duitsland bekend door zijn Ijzeren reeks Jahrbuch der Lyrik (sinds 1979) over jouw schouders heeft meegekeken? Is er heftig gedebatteerd?
AO: Er is – tot op heden – geen debat geweest. De aanzet voor een conversatie, mag dat ook? Herr Buchwald heeft gevraagd, gelezen en nog eens gelezen. Zien is kennen: hij weet wat er staat en kent de context.

FF: Zal na de verschijning van Witheet nadert de ijsberg, in januari 2018, de dichtader dichtgeschroeid worden?
AO: Neen, zolang er potloodjes en papiertjes zijn. Er is de dagmarkt en er zal nog eens gekeken worden naar wat bleef liggen en niet van tafel is.